20

Dyr, dyr, dearest Lander,

(Waar ben je? Onze uitwisseling ligt zo stil, niet eens meer kabbelend, in het landschap van onze gedachten. Het neuriet niet eens meer een weemoedig melodietje.

Dat breekt mijn hart. 

Terwijl ik deze woorden schrijf kijkt het verwachtingsvol naar me op, zie, een klein sprongetje - meer een hupje - van blijde verwachting. Ja lieve uitwisseling, ik weet dat je afwisselende voeding nodig hebt, maar ik kan je alleen mijn kant van de wereld bieden. Laten we samen op de top van die heuvel daar gaan zitten, in het zonnetje. Laten we samen de verte in kijken, vol verwachting de horizon afspeuren naar een teken van Lander.)

In mijn brievenbus lag vandaag een enveloppe van mijn gemeente. Daarin vond ik een foldertje, netjes in drieën gevouwen. En daarin zat weer een brief met een oproep verscholen. Die brief leerde mij dat mijn gemeente dolgraag zou willen dat ik mijn benen een momentje zou spreiden. Niet lang, en niet zomaar natuurlijk. Nee: mijn gemeente zou zo graag willen weten hoe het met mijn ingewanden staat. Om precies te zijn: één bepaald deel daarvan.

Om mij te motiveren rept de brief van een HPV virus. Ik had er nog nooit van gehoord. ‘Virus’ geeft meteen altijd een wat lugubere smaak. Een soort ‘hier is niet aan te ontkomen, hoor je me!’-smaak. Het virus is de belangrijkste oorzaak voor baarmoederhalskanker. En mijn gemeente heeft blijkbaar liefst virusvrije dames op de straten lopen.

Nu wordt ik dus gevraagd een zogenaamd uitstrijkje te laten maken. Ik kan er niets aan doen, maar dat woord is zo ontzettend fout gekozen voor deze handeling. Niet alleen doet het aan kneuterige huisvrouwen achter de strijkplank denken, ook doemen er vreemde associaties zoals kreukeloos witte was uitgespreid op een glazen raam, platgewalste vagina’s en zelfs besmeerde boterhammen geflankeerd door vettige messen in mij op. Geen enkele van die beelden dekt ook maar enigszins de lading, zoals je begrijpt.

Nu heb ik weinig tot geen enkel probleem met ziekenhuizen, gynaecologen en mijn benen in de beugels haken. Ook zie ik geen probleem in mijn gemeente virus- en kankervrij houden. Maar dat woord. Dat woord! Voorop de folder staat met grote letters ‘Campagne ter preventie van baarmoederhalskanker’. En toch lees ik er heel duidelijk ‘Uitstrijkcampagne’. Ik zie rijen en rijen van vrouwen, jong en oud, op het kerkplein staan. Allemaal in de houding achter een strijkplank. Allemaal met een bedrukt gezicht naar een oneindige stapel strijk starend. Met allemaal maar een enkele gedachte: raken we ooit uitgestreken? Ik kan er niets aan doen.

Toch denk ik dat ik maar ga.

Zo kom ik toch weer eens onder de mensen.

Hopelijk tot snel, lieve Lander.

Sarah